De Graaff over de verhulling van het evangelische mysterie

— door Evert Mouw

Naast mij ligt mijn moeder, opgebaard in de donkergroene kist die over twee dagen ter aarde besteld zal worden. Dat dwingt tot bespiegeling. Aan deze tafel las ik de afgelopen weken, als het even niet onrustig was, in het boek Jezus de Verborgene van dr. Frank de Graaff. Om eerlijk te zijn is het geen titel die me direct aanspreekt. Maar de oud-schaapherder en dichter Sjoerd Stellingwerf, een goede vriend van mijn beide ouders (beiden ook schaapherders), vertelde mij over een bijzondere theoloog, een mysticus, ene De Graaff, die een bijzondere sfeer meebracht als hij ergens sprak.

Frank de Graaff
Frank de Graaff

Online zijn al snel wat teksten te vinden, bijvoorbeeld op de site www.metahistorie-fdegraaff.nl Deze cultuurcriticus maakte zich al zorgen over de toekomst van het Westen terwijl het grootste deel van Nederland nog gezapig in de kerk zat of voor de buis hing. Een paar teksten verder en ik was om – deze man moest wel de moeite waard zijn. Zijn werk straalt kennis en inzicht uit. Ook was hij bekend met de eveneens op de Veluwse wonende theoloog Henk Vreekamp, die bevriend was met mijn moeder en wiens boeken ik eerder besproken heb. Ik kreeg de indruk dat Jezus de Verborgene, gepubliceerd in 1987, het belangrijkste werk was van De Graaff. Met mijn meer heidens-filosofische opvattingen zal ik toch moeilijk zonder weerstand een boek met een dergelijke titel kunnen bespreken. Maar zonder weerstand geen beweging.

Net voordat mijn moeder drie dagen geleden stierf had ik het eerste hoofdstuk uit – honderd pagina’s met een rijke inhoud, en dus besprekenswaardig. Ik wil er voor mezelf en anderen een eerste indruk van geven. En, onder deze omstandigheden, geeft deze bezigheid mij een zekere rust. Dus bij deze.

Verhulling, mysterie en heerlijkheid

Ik zie als ondertitel *een voorbereiding tot inwijding in de mysteriën van het evangelie”. Ah, iemand die het verschil tussen simpele rationaliteit en suprarationaliteit snapt – de klassieke mysteriën van de filosofen herken ik, maar zit dat ook in het Christendom?

De Graaff ziet dit probleem ook, en noemt dit een crisis van het Christendom, met daaruit voortvloeiend een crisis van de Westerse cultuur. Iets van de Traditie, van de mystiek-filosofische inslag, toont zich als hij stelt dat het Christendom een lot ondergaan heeft, overeenkomstig vele andere grote godsdiensten. Hij rept over het afnemend geestelijk gehalte van latere geslachten. De Graaff uit zich bewonderend over grote geesten als de Boeddha, Plato, en zelfs Nietzsche – en tegelijkertijd blijft hij theologisch zuiver bij het Christendom. Hij zoekt het Goddelijke in de grote Tradities, maar natuurlijk vooraleerst vanuit de Traditie waarin hij zelf opgevoed en geschoold is. Die Goddelijkheid, de “heerlijkheid van Jezus”, is volgens hem vaak onverdraaglijk. De heerlijkheid is te groot om te bevatten. Daarom wordt deze heerlijkheid verhuld door bemiddelaars, die de mensen hielpen om ingewijd te worden, zodat ze Hem kunnen ontmoeten.

De verhulling is geen intellectueel, maar een geestelijk gebeuren. Zo gebruiken we de naam van Jezus zonder te beseffen dat dit staat voor Jehoshua, “JHWH is de verlossing”. Dit gebruik van de naam Jezus verhult deze betekenis. Dat beschermt ook. De echte naam in niet objectiveerbaar, is heilig, is niet wetenschappelijk reduceerbaar. De heilige naam, en daarmee de heerlijkheid zelf, mag niet ontheiligd worden.

De evangeliën waren voor niet-Joden bedoeld

De door Joden geschreven teksten in het N.T. zijn voornamelijk voor niet-Joden bedoeld. “Dit is een uiterst merkwaardig feit, waaraan helaas door de eeuwen heen te weinig aandacht is besteed.” De Graaff weet dit punt subliem uit te werken en geeft daar ruimschoots argumenten voor. Uiteindelijk komt hij tot de conclusie dat het Joodse volk apart moet blijven, en het Christendom hun gift is aan de heidenen, aan de andere volkeren.

Ook hier is sprake van verhulling; de evangeliën zijn zo geschreven dat ze de heidenen aanspreken en het Joodse karakter ietwat verhullen. Zo zijn ze geschreven in het Grieks. De verhulling of krijgslist is een voortzetting van de competitie tussen Esau en Jacob. Esau had het eerstgeborenenrecht, maar Jacob wist door een list, door bedrog, door zich te verhullen, de zegen voor de eerstgeborene te krijgen. Op dezelfde manier is Israël, fysiek zwakker dan Rome, aangewezen op list en verhulling om Rome te weerstaan. Beide volkeren hadden een ander model om het heil op de wereld te brengen. Rome (Esau) wilde slechts de natuur in stand houden en voltooien, maar Israël (Jacob) wilde met Goddelijke genade de natuur boven zichzelf uit verheffen.

Dat mag allemaal mooi bedacht zijn door De Graaff – en ik moet zeggen dat ik zijn argumentatie gedegen, goed onderbouwd en overtuigend vind – het blijft toch aan me knagen dat deze genadewerking, dit heil, enkel via verhulling en bedrog tot stand komt. Ook de Christelijke kerkvader Augustinus, een man zeer beïnvloed voor het neoplatonisme van Plotinus, keurde leugen en bedrog ten stelligste af, onder alle omstandigheden. Hoe kan Jacob, en zijn geslacht, goed zijn, als dit zijn oorzaak vind in bedrog? Hier twijfel ik.

De Graaf probeert dit morele dilemma op te lossen door te stellen dat de list noodzakelijk was uit zorg voor de wereld, dus om de Schepping te redden. Het is een vreemde God die zowel Almachtig is alsook afhankelijk is van list. De auteur weet dit m.i. niet bevredigend uit te werken. Natuurlijk zal hij dat zelf ook beseft hebben, wat deze voorzichtige woorden verklaart:

Eveneens voorkomt de list de ondergang van Esau en de oude wereld, maar toch, het blijft bedrog. Dit bedrog heeft harde gevolgen voor Jacob. […] Esau [krijgt] een andere schutsgod […]. Die god is niet de Here, maar een van de ondergeschikte engelen. De engel geeft Esau macht om van zijn zwaard te leven en om het juk van zijn broeder Jacob af te schudden.

De krijgslist van Israël tegen Rome volgens Nietzsche

De Graaf spreekt zijn respect uit voor Nietzsche, die als “een der weinigen” gezien heeft “dat Israël door de prediking van het evangelie een aanval op Rome heeft gedaan”. Hij stelt verder dat “Nietzsche zich met sluiers omhult om de niet ingewijde toegang tot zijn werk te beletten”. De krijgslist en Nietzsche’s interpretatie worden in het boek helder uitgelegd en gaven mij een interessante en originele kijk op dit deel van de wereldgeschiedenis. De Joodse vergelding tegen Rome mondt uit, volgens Nietzsche, in een neue liebe. De Graaf stelt: Israël wreekt zich op Rome door de liefde.”

Opnieuw gaat hij in op het element list, in dit geval camouflage. De camouflage dient enkel om zaken te verhullen voor buitenstaanders, maar ingewijden hebben er geen last van. Nu worden de titel en ondertitel van het boek duidelijker. De Graag wil de lezer een beetje inwijden, wil dat de lezer de camouflage gaat doorzien om zo toegang te krijgen tot de heerlijkheid.

Maar wat is dit voor Godsbeeld?

Mijn twijfel blijft knagen. List, bedrog, camouflage. Maar nu komt ook naar voren dat zijn volk, de Joden, moeten lijden tot nut van de wereld. Het verhaal van Job is dat van Israël. Job zondigt niet, maar wordt toch getroffen door het noodlot. Satan, een van de zonen va God, krijgt vrijwel vrij spel. Jezus moet sterven aan het kruis. Het onschuldige lam wordt geslacht. De Graaff spreekt over “plaatsvervangend lijden”. Ik vermoed dat Nietzsche hier toch van een slavenmoraliteit zou reppen: het zwakke stelt zichzelf voor als het goede, een omkering van waarden. Omdat het zwakke afhankelijk is van list en bedrog, zal het deze zaken ook “goed” maken door er een hogere bedoeling aan toe te kennen. Maar welke rechter straft de onschuldige om de schuld van de schuldige te vereffenen? Welke rechter accepteert plaatsvervangend lijden?

De kastijdingen, al het lijden dat Israël heeft gedragen, blijft niet tegen Israël zelf gericht te zijn. Israël herkent dan de grote liefde van zijn God, die het tot het bovenmenselijke heeft uitverkoren. Israël zal dan zien, dat JHWH het tot Zoon Gods verheven heeft, juist in zijn lijden te behoeve van de zonde der gooiim. Hier houdt de rede der gooiim en hun koningen op.

De Graaf geeft nog een motivatie. Deze klinkt al wat plausibeler:

De beloning die Israël krijgt, is, dat de volkeren zijn God gaan aanbidden en erkennen en daarmede Israël zelf erkennen als priester en middelaar.

Echter, dit wordt tot de uiterste historische consequentie doorgevoerd:

De Jood, die omkeert tot de Thorah, komt tot de hoogste roeping van Israël, die hier in Jes. 53 gegeven is. Plaatsvervangend lijdt hij voor de zonde en schuld van de gooiim. […] Door de eenzijdige interpretatie van Jes. 53 hebben de meeste Christenen niet gezien, dat het vervuld werd in het gaan der Joden naar de concentratiekampen. Dit maakt de misdaden der beulen niet geringer. Alleen is hiermee gezegd, dat JHWH sterker is dan de misdaden.

Plaatsvervangend lijden. Ik heb er moeite mee. De Graaf onderkent dit elders in het hoofdstuk.

Toch is het een moeilijk te verstane gedachte voor moderne mensen, dat er plaatsbekledend lijden bestaat. En toch behoort het tot de diepste religieuze noties. Overal waar van offer sprake is, is er plaatsbekledend lijden.

De Thorah is het ongeschapen Woord

Een paar interessante identiteiten volgen. Ik citeer:

Israël heeft een wezen, een diep Zelf. Dit wezen is de eeuwige Thorah, het Woord Gods. Deze is niet geschapen. De schriftelijke Thorah is afschaduwing. Het evangelie naar Johannes spreekt over deze zelfde dingen. In den beginne was het Woord, d.i. de eeuwige ongeschapen Thorah, waardoor God alle dingen geschapen heeft.

Even goed opletten hier, vooral als je Christen bent en dus mogelijk al afgestompt door het stof van de dogma. De Graaff stelt hier dat de schriftelijke Thorah een afschaduwing is, maar dat de echte Thorah ongeschapen is. Kortom het woord op papier is niet de werkelijke Thorah. Mystici, Platonisten en Kabbalisten begrijpen dit onmiddellijk. Ook in Johannes was er in den beginne de Logos, wat vertaald wordt met het Woord, maar de betekenis gaat toch net wat dieper. Deze Logos wordt vlees, incarneert, in de vorm van Jezus, die daarmee de Thorah vervuld. De wijsheid Gods is van voor de Schepping, is het Woord, de ongeschapen Thorah, de Logos, de liefde. “De hoogste machten, uiteindelijk de enige macht, is de liefde.”

Het probleem van het kwaad

Hij gaat verder. “De vrijheid der liefde geeft de mogelijkheid voor opstand en zondeval.” Dat blijkt wel. Ook engelen kunnen vallen:

De Zonen Gods zijn de engelen-vorsten, die over de volkeren en over de schepping regeren. Zij moeten rekenschap afleggen aan de hoogste God. Merkwaardig is, dat de Satan ook onder hen is.

Voordat ik het boek van De Graaff verder lees wil ik toch meer grip krijgen op dit probleem van het kwaad. Nietzsche stelde de verschillende moraliteiten (herenmoraliteit en slavenmoraliteit, de genealogie van het kwaad), de neoplatonisten zagen het kwaad als niet-bestaand (er is enkel duisternis bij gebrek aan licht), en Jung zag het kwaad als een onbewuste inhoud binnen het geheel. Laat ik eerst Jung’s Antwoord op Job maar eens lezen.

El of JHWH

Er is onderscheid tussen El als hoogste God, en JHWH als hoogste God. De Graaff is zich hiervan bewust. In het boek Job is het JHWH die de hoogste God is; waar Job de naam JHWH gebruikt, gebruiken zijn vrienden de naam El.

Oorspronkelijk was Jahweh (JHWH) ondergeschikt aan El (hier en hier). De plagen waren een strijd tussen JHWH en de Egyptische god Ra. Eerst was El de hoogste godheid, later is dat verschoven naar JHWH, en nog later weer is dat samengeschoven.

Tussendoor komt een ouderling langs. We spreken over de aanstaande begrafenis, over het dorp, over de Veluwse geschiedenis, en over godsdienstige zaken. Ik plaag hem wat met de oerwateren die er in Genesis al voor de Schepping waren (geen creatio ex nihilo) en de invloed van de Griekse filosofen op het Christendom. Hij weert zich goed terwijl hij zich de beperkingen van de menselijke kennis bewust blijft. Het is een leuk en prettig gesprek. Dat er binnen protestantse kringen een spanning bestaat tussen genade en de wet, of het ontvangen van God en het zelf werken, is duidelijk. Wat de wet betreft, terug naar ons boek.

Heidenen, Joden en de wet

Interessant is het onderscheid tussen Joden en niet-Joden als het gaat om de wet. In de Thorah krijgen de joden wetten die enkel voor hen gelden, niet voor de andere (heidense) volken. Ook als heidenen tot het Christendom bekeerd worden gelden die wetten niet voor de heidenen.

De gooiim behoeven het juk der wet niet te dragen. Dit is te zwaar voor hen. Toch moet er gemeenschap zijn tussen Joden en gooiim waaroer de Shechinah is uitgestort. Deze laatsten hebben de plicht zo te leven, dat zij een Jood, die met hen omgaat, niet verontreinigen. Daarom moeten zij zich onthouden van bloed, het verstikte, hoererij en wat aan de afgoden gewijd is. Het is duidelijk, dat dit alles vooral met de tafelgemeenschap te maken heeft.

De afgoden werden genoemd als een soort dode goden of niet meer levende engelen, als enkel omhulsels. Dit in tegenstelling tot nog levende schutgoden of engelen die actief over een volk waken; echter De Graaff is op dat laatste punt niet helder omtrent hun rol.

Beoordeling

Voor mensen die houden van filosofie, mystiek en theologie is dit boek een schatkamer. Alleen al het eerste hoofdstuk (100 pagina’s) bevat onder andere bovenstaande thema’s, uiteraard beter uitgewerkt dan ik in deze korte beschrijving doen kan. In het komende jaar zal ik waarschijnlijk minder gelegenheid hebben om te lezen, dus de bladwijzer blijft even liggen.

Wel blijf ik met fundamentele vragen zitten. Hoe verhoudt een rechtvaardige God zich tot plaatsvervangend lijden, list en bedrog? Hoe heeft dit doorgewerkt in de Christelijke cultuur? Zeker, Christus zelf is lastig te bekritiseren. Het eerste wonder van Jezus was het veranderen van water in wijn voor een mooi huwelijksfeest. Zelfs Nietzsche, in zijn De antichrist, kon niet echt Christus zelf onderuit halen, al liet hij weinig heel van Zijn volgelingen en Zijn kerk. De vragen blijven, maar dat De Graaff ze bespreekt en oproept en in een rijke context weet te plaatsen maakt zijn werk waardevol.

Bovendien is er bij hem het besef van het mysterie, het werken aan een onthulling, het komen tot de kern, iets dat boven het objectiveerbare uitgaat. In deze tijd is dat een zeldzaamheid. Alles is maakbaar, meetbaar, beheersbaar, in modelletjes te stoppen, en anders wel theoretisch te ontleden – niet bij De Graaff, die weet dat er nog zaken zijn die zich niet zo licht laten onthullen.

Waar De Graaff dat mysterie in zijn boeken en geestelijke werk vond, daar vond mijn moeder het mysterie in de natuur. De Schepping was haar kerk. Daarom ook de veer in haar borstzak, de groene buitenkleding, de donkergroene kist; zo wilde ze het, zo hebben we het gedaan. Wat ze achterlaat zijn haar gedichten, verhalen, foto’s en schilderingen, rijke herinneringen die weer nieuwe vrucht mogen dragen, want in de natuur gaan de seizoenen altijd door. Een aantal van haar werken kun je vinden op www.nevelflarden.nl.

     

3 Reacties

  1. Emil
    2021-12-20
    Antwoord

    Dat is snel gegaan. Gecondoleerd.

    Je stuk is dit keer niet aan mij besteed in de zin dat theologie nooit mijn passie is geweest. Krijg er geen grip op. Ergens wel balen. Misschien moet ik het nog eens lezen. Haal er wel uit dat het jouw gegrepen heeft, dus nieuwsgierig ben ik wel!

    Heb ooit mijn hersens gepijnigd om goed en kwaad te beschrijven. Ik voeg de link er heel brutaal bij: (als je zin hebt hoor)
    http://emilsnijer.blogspot.com/2015/12/over-goed-en-kwaad.html
    = In jouw stuk beschrijf je ook thema’s die me fascineren. Toevallig.
    http://emilsnijer.blogspot.com/2018/07/over-algemene-misvattingen-en-de-pseudo.html (bevat ook stukje over de list)

    Groet,
    Emil

  2. 2021-12-20
    Antwoord

    Zonet heb ik jouw blogposts gelezen. Over goed en kwaad, en ook het tweede stukje. Knap geschreven. “Beoordeling is in het moment in een locatie.” Ja dat is ook zo. “Er wordt met ons geknoeid, met je denken, en aan alle kanten wordt er aan je getrokken. Binnen groepen word je geacht bepaalde waarden te hanteren, (een zelfde mening te zijn toegedaan) om zo een sterke (maar kunstmatige!) cohesie te vormen. Coalities.” Ook dat is waar, en dat je daar alleen moed tegenover kunt stellen. Moed is niet een eigenschap van de massa, maar wel van de held.
    Kunnen we boven onszelf uit stijgen? Bestaat er een hogere geest? De Graaff probeert iets van een inwijdingsweg te schetsen binnen de kaders van het westerse christendom. Zijn metahistorie is een soort geschiedschrijving alsof goden (egregroires, emergente eigenschappen, wat dan ook) de beschavingen aansturen. Interessant is dat hij het over de list heeft, en jij daar ook over schrijft. Alsof we gedoemd zijn listig te zijn, omdat moed bestraft wordt. Maar wie listig is, leeft al snel een leugen.

  3. Mooi. Dankjewel. Sluit ‘toevallig’ precies aan op een boek wat ik aan het lezen ben van Julia Blum, Een Messiaanse Jodin. ‘als u de zoon van God bent’. Nog een gedachte (van mij dan weer). Als we plaatsvervangend lijden eens zien als zonder wraakgedachten verdragen.
    Overigens gecondoleerd met uw moeder.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.