De geboorte van de tragedie (of ook onze crisis?), door Friedrich Nietzsche

— door Evert Mouw

Nietzsche-1890De laatste bekende filosoof. Hij schrijft helder en toegankelijk. Zonder lastige formules weet hij alle bekende denkbeelden op hun grondvesten te lasten schudden. Soms met beide benen op de grond, soms ook een mysticus. Zijn naam is Friedrich Nietzsche.

Eén van zijn eerdere werken is De geboorte van de tragedie. Het afgelopen jaar heb ik het boekje met veel plezier gelezen. Ik waag me niet aan een filosofische analyse — daarvoor mis ik de papieren — maar een paar stukjes tekst en een paar observaties wil ik de lezer niet onthouden. Met natuurlijk het advies zelf ook een keer een werk van deze grote filosoof te lezen!

Nietzsche begint zijn werk met een prikkelende vraag:

Bestaat er zoiets als pessimisme vanuit kracht? […] Wat betekent juist bij Grieken van de beste, sterkste, dapperste tijd, de tragische mythe? En wat betekent het ontzagwekkende fenomeen van het Dionysische? […] de Griekse blijmoedigheid van de latere Griekse cultuur slechts een avondrood? De epicurische wil tegen het pessimisme slechts een voorzorgsmaatregel van het verkwijnende?

Zo hard werd het positieve denken maar zelden aangevallen! De optimistische mens is optimistisch omdat hij niet anders kan — de afgrond waarin hij blikt is te diep, te gevaarlijk, hij kan de pijn niet verdragen, en heeft daarom een sterke pijnstiller nodig. En denk nu niet dat Nietzsche tegen vrolijkheid en optimisme is, zolang het maar geen vals optimisme is. Zijn pleidooi voor pessimisme, tragiek, is er een voor sterke mensen, is er voor het evenwicht.

Zouden misschien dan, alle moderne ideeën en vooroordelen van de democratische smaak ten spijt, de zege van het optimisme, de dominant geworden redelijkheid, het praktische en theoretische utilitarisme, net zoals de democratie zelf waarmee het samenvalt in de tijd — symptomen zijn van afnemende kracht, van naderende ouderdom, van fysiologische vermoeidheid? En juist niet — het pessimisme?

Hier komt de eerste aanval op de redelijkheid. En zien we hier ook niet een overeenkomst met de latere stelling uit het boek Untergang des Abendlandes? Maar laten we dat nog even rusten. Eerst komt nog een aanval op het christendom:

Christendom was van het begin af aan in diepste essentie een uit verveling geboren weerzin van het leven tegen het leven […] de schone schijn van een geloof in een ander of beter leven. De haat jegens de wereld, de vervloeking van de affecten, de angst voor schoonheid en zinnelijkheid, de uitvinding van een hiernamaals om het aardse leven beter te kunnen belasteren, hetgeen in de grond genomen een verlangen is naar het niets, naar het einde.

Maar die kritiek trekt hij door naar het Platonisme, omdat hij — correct — het moderne Christendom ziet als een mengeling van de ideeënleer van Plato en de Bijbelse verhalen. En daarom treft zijn kritiek ook de grote Socrates:

Het scherpste pleidooi voor de hoogachting van het weten en het inzicht komt echter op naam van Socrates zelf, toen deze zichzelf als de enige bestempelde die durfde toe te geven dat hij niets wist. […] Tot zijn verbazing moest hij vaststellen dat al die beroemdheden zelfs waar het hun eigen beroep betrof van alle adequate en ontwijfelbare kennis verstoken waren en dit beroep alleen uit instinct uitoefenden. Alleen uit instinct: met deze uitdrukking treffen we het hart en middelpunt van de Socratische levenshouding. Hiermee veroordeelde het Socratisme zowel de bestaande kunst als de bestaande ethiek.

Juist het instinct is de drijvende, creatieve kracht in de mens, volgens Nietzsche:

Terwijl bij alle productieve mensen het instinct juist de creatief-bevestigende kracht is het het bewustzijn zich kritisch en ontradend opstelt, wordt bij Socrates het instinct tot criticus en het bewustzijn tot schepper — een ware monstruositeit per defectum!

Na zijn aanval op het Socratisme roept hij op tot een terugkeer naar de krachten in inspiraties van het mystieke, Dionysische, creatieve, samenbindende, tragische. Krachten die niet in hogere abstracties gevonden worden, maar in een directe beleving van onze aardse, natuurlijke staat.

[…] het wezen van de tragedie, dat uitsluitend kan worden geinterpreteerd als manifestatie en aanschouwelijking van Dionysische toestanden, als zichtbare symbolisering van de muziek, als droomwereld van een Dionysische roes.

Deze roes is er niet een van het individu, maar van het collectief:

Apollo staat mij voor ogen als de met bovenaardse glans omgeven genius van het principum individuationis, die als enige de verlossing in de schijn daadwerkelijk kan bewerkstelligen, terwijl onder de mystieke jubelzang van Dionysus de ban van de individuatie doorbroken wordt en de weg naar de moeder van het zijn, naar de diepste kern der dingen open ligt.

En zo komt hij tot een oplossing voor de vraag naar het bestaan en hoe om te gaan met onze dood:

We moeten inzien dat alles wat ontstaat tot smartelijke ondergang bereid moet zijn. […] onmetelijke oerlust van het bestaan […] Ondanks alle angst en medelijden zijn wij de gelukkig-levenden, niet als individuen, maar als het ene levende, met de voortplantingslust waarvan we versmolten zijn.

Voor Nietzsche is de theoretische mens teveel het ideaal van de beschaafde mens geworden. Maar daarmee ontkent de beschaafde mens de bron van leven en creativiteit, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor de beschaving:

De Alexandrijnse cultuur heeft een slavenstand nodig om op den duur te kunnen existeren; maar vanuit haar optimistische visie op het bestaan ontkent ze de noodzaak van zo’n stand en gaat daarom, wanneer haar prachtige, verleidelijke en kalmerende woorden omtrent de menselijke waardigheid en de waardigheid van de arbeid zijn uitgewerkt, een gruwelijke ondergang tegemoet.

Natuurlijk mag het medicijn niet ontbreken. Nietzsche bepleit dat Duitsland terugkeert naar zichzelf, in gelijkenis met de Griekse tragische cultuur. (Merk op dat in die tijd “Duits” vaak bijna hetzelfde betekende als “Germaans” en dus vaak stond voor een gebied groter dan het huidige Duitsland. Ook Nederland e.d. behoorden daarbij. Of dat hier ook zo bedoeld is? Ik vermoed van niet.)

Wij hebben zo’n hoge dunk van de zuivere en krachtige kern van de Duitse volksaard dat we juist van hem deze uitdrijving van met geweld ingeplante vreemde elementen durven verwachten en het mogelijk achten dat de Duitse geest opnieuw gaat beseffen wat zijn diepste inhoud is. […] Maar laat ze niet denken dat ze dergelijke gevechten kunnen leveren zonder hun huisgoden, zonder hun mythische vaderland.

Explosieve tekst, zeker zo terugkijkend op de Tweede Wereldoorlog. Jung zou later, nog voor die oorlog, verklaren dat het Duitse volk als het ware bezeten werd door een oud archetype (in zijn essay “Wotan”). Hoe dan ook — uw eventuele mythische vaderland kunt u ook op deze website vinden.

Er zijn meer mooie stukjes tekst te vinden in dit werk van Nietzsche. Ik moet het hierbij laten. Dit werk van Nietzsche werd bij de ontvangst stevig bekritiseerd, en Nietzsche zelf verklaarde later ook dat het niet één van zijn beste werken was, dat hij het schreef toen hij nog jong was. Maar maakt dat het niet juist aantrekkelijk, die jongheid en dat enthousiasme van het werk?

     

Facebook Comments