Microfobie – tegen de moderne grootheidswaan

— door Evert Mouw

Vijfentwintig icoontjes zag ik in de Zoom bijeenkomst. Het waren er niet veel, want deze eerste webinar van het Renaissance instituut van FvD werd met opzet kleinschalig gehouden. Het concept moest eerst maar eens afgetast worden. Of zou het er ook mee te maken hebben dat de spreker, Pepijn van Houwelingen, weinig opheeft met grootschaligheid?

Hij sprak over thema’s in en rond zijn essay Microfobie, dat in boekvorm is uitgekomen. Waarom scholen, ziekenhuizen, gemeenten etc. almaar groter moeten worden, en waarom dat gebeurd terwijl het eigenlijk totaal voorbij z’n doel schiet. Te grote scholen zijn slecht voor leerlingen en leerkrachten, net als te kleine; maar beleidsmakers lijken zich enkel nog te richten op schaalvergroting, als ware het een automatisme. Pepijn beantwoord vragen van het publiek vlot, en nu ik de smaak te pakken krijg besluit ik meteen het boek te bestellen. Hier mijn korte review, plus nog een eigen toevoeging over dit thema.

alles in transitie
Grenzeloosheid tijdens het webinar.

Het boek telt 117 pagina’s (inclusief noten 133) en je hebt het zo uit. Er zitten een hoop concrete voorbeelden in, die meteen aansluiten bij de actualiteit. Wat is de beste omvang voor een school? Wat is de bovengrens en wat is de ondergrens voor het aantal ziekenhuisbedden in een ziekenhuis? Hoeveel inwoners heeft de ideale gemeente? Hoe zit het met de schaal van woningcorporaties? Zo zijn er meer vragen die in het boekje samengevat zijn met tabellen gebaseerd op o.a. eerder sociaalwetenschappelijk en economisch onderzoek. Dat maakt het essay niet droog. Het essay wemelt van praktische voorbeelden en actuele problemen die hiermee een rechtstreeks verband houden. Die problemen kunnen niet opgelost worden als we fobisch blijven voor het kleine (micro). Het blijkt dat we vaak, tegen de academische kennis in, via overnames en fusies tot organisatievormen komen die eigenlijk te groot zijn. En ja, overheden hebben sterker die neiging dan bedrijven, want bedrijven worden voor zulke hubris bestraft door de markt.

De grote vraag is dan waarom we dat eigenlijk doen. Pepijn sluit het essay sterk af met een bespiegeling over twee visies, het globalisme, zingeving, en waarom een thuis van belang is voor zingeving en geluk. Ook bespreekt hij de grote, vaak nadelige gevolgen voor het functioneren van onze democratie en onze vrijheden bij onbeperkte schaalvergroting. Waar eerst burgers nog invloed hadden op hun eigen omgeving, veranderen ze in onderdanen van grote systemen, waar mensen vaak slechts een nummertje zijn. En als de schaal te groot wordt, dan valt ook de betrokkenheid weg. Steeds weet Pepijn dit te onderbouwen met harde gegevens.

2e kamer verkiezingen en opkomst naar gemeente-omvang
Lagere opkomst bij de verkiezingen als de gemeente meer inwoners heeft.

Bijzonder relevant is het deel over het verdwijnen van de professionele autonomie (p.92), de opkomst van controlesystemen en bureaucratie, en de daarmee onstuitbare standaardisatie, waardoor professionals beperkt worden in hun eigen beoordelings- en handelingsvrijheid. Ook verantwoordelijke functies worden op die manier geautomatiseerd, wat zowel lagere kwaliteit als burnouts kan geven.

Dat dit verhaal van een FvD Kamerlid komt hoeft niet te verbazen, omdat deze partij wel vaker ervoor kiest tegen de politieke mainstream in te zwemmen. Reserves bij grootschalige projecten als de EU en de wens om de democratie te versterken liggen in elkaars logische verlengde. Dat vraagt natuurlijk wel een goede onderbouwing, niet alleen met harde cijfers zoals bijvoorbeeld in de tabel hierboven, maar ook filosofisch en sociologisch.

De eerste vijftien pagina’s gaan in op filosofische en mythologische aspecten. Wat is een grens? Waarom zijn grenzen belangrijk? Hoe kan iets vergaan als het geen maat, geen grens kan houden? Pepijn stelt dat de moderne (beleids)cultuur alle grenzen wil oprekken, en daarbij oude waarschuwingen uit de Griekse mythologie uit het oog verloren is. Het overschrijden van je (eigen) grenzen leidt tot een valpartij. Afijn, het is de moeite waard die vijftien pagina’s te lezen, en de thematiek komt aan het eind van het boek weer een beetje terug.

Bedenkingen

Tijdens het lezen kwam ik ook enkele zaken tegen waar ik nog nadere gedachten bij had. Zo wordt stress op het werk genoemd vanwege de trend naar open kantoortuinen (grenzeloos), waarbij eigen plekjes (eigen ruimte, dus met grenzen) het onderspit delven. Ja, dat is de trend, maar een andere trend is ook al lang gaande: thuiswerken. In 2013 schreef ik een review over het boekje Remote: Office not required. In dat boekje wordt stress ook geweten aan de continue interrupties op veel werkplekken. Hoe dan ook, juist dankzij het grenzeloze internet ontstaat paradoxaal genoeg weer een thuis als mensen thuis gaan werken, iets wat door Pepijn niet goed benoemd wordt.

Wat mij betreft had in het essay de factor technologie nog wel meer belicht mogen worden. Onze identiteit, manier van werken en zeker ook de schaalgrootte is daar immers nauw mee verbonden. De trend naar groter, naar het globale, is m.i. niet enkel een functie van geloof maar ook van technologie.

Aan ’t begin van het boek worden grenzen beschreven als onnatuurlijk. Immers, in de natuur gaat alles vloeiend in elkaar over. Hierdoor zouden grenzen een ontologisch probleem hebben. Maar in de natuur zien we toch juist sterke grenzen? Mierenstaten die elkaars grenzen betwisten, zoogdieren die hun territorium verdedigen, scherp gemarkeerde overgangen tussen vegetatietypen… Zelfs de wiskundige Mandolbrotfiguren laten een soort grenzen zien. Ik ga niet mee met de auteur in zijn stelling dat veel grenzen gevormd worden door een wilsbesluit waarvoor je sterk in je schoenen moet staan. Er zijn genoeg objectiveerbare kenmerken die het clusteren in groepen toestaan.

Het essay lijkt voort te borduren op thema’s die eerder al door o.a. Pim Fortuyn werden benoemd, die het thema De verweesde samenleving ook koppelde aan grenzen en schaalgrootte. Toen ik hem daarnaar vroeg tijdens de Webinar gaf hij aan dat zijn boek inderdaad in het verlengde van dat thema ligt, hij zich ook herkende in de opvattingen van Fortuyn daarover, en dat over het thema al eerder veel discussies zijn geweest. In het essay wordt echter een originele en eigen structuur opgebouwd, empirisch ondersteund met tabellen en grafieken, en ook vergezeld met eigen voorbeelden.

Al met al kan ik niet anders zeggen dan dat iedere Nederlander die betrokken is bij onze samenleving, ongeacht zijn of haar politieke kleur, baat kan hebben bij deze kleine investering. Het boekje heb je zo uit en daarna kijk je toch anders naar een hoop eigentijdse problemen en naar het nieuws. Het verhaal van Pepijn tref je (te) weinig aan in het mainstream discours, maar zijn thema en de studies waar hij zich op baseert zijn zeker van groot belang voor het publiek en de samenleving. Daarom kan ik het boek van harte aanbevelen.

Voortbordurend…

Pepijn heeft een thema van fundamenteel belang te pakken. Het is daarom interessant om te zien of er uitbreidingen, snijvlakken en dies meer aan te boren zijn.

Het thema zou m.i. dieptepsychologisch uitgediept kunnen worden, hoewel dat uiteraard ver buiten het bestek van het essay lag. Zo’n uitdieping zou zelf weer een essay kunnen zijn.

Zo biedt de analytische psychologie van Jung aanknopingspunten als psychische ruimte en oeroborische incest. De eerste bepaalt de grootte van ons bewustzijn (wat we wel en niet kunnen waarnemen, los van onze zintuigen), het tweede is een toestand waarin de psychische ruimte minimaal is en grenzen niet meer bestaan.

De tegenstelling tussen het Ene en het Vele, die ontstaat binnen de psychische ruimte, maakt het mogelijk om tegelijkertijd de eenheid van alles te erkennen en toch ook de waarde van het unieke en het begrensde te zien.

Interessant is het idee dat een organisatie of groter verband uiteindelijk een eigen leven gaat leiden, waarbij de samenstellende delen of cellen dat hogere “organisme” gaan dienen. Mensen worden dan een soort miertjes die Het Nest dienen. Dat ontstaan van een “hoger” construct op basis van simpele bouwstenen wordt soms ook emergentie genoemd. Dit thema is ook uitgewerkt door de schrijver en filosoof Robert M. Pirsig. Hij is bekend van zijn boek “Zen and the Art of Motorcycle Maintenance”. Daar schreef hij een vervolg op, “Lila”. In dat boek schrijft hij over New York als een dynamische kwaliteit, die niets geeft om de levens van individuele inwoners, maar wiens hogere kwaliteit een eigen waarde heeft; hiervoor gebruikt Pirsig het beeld van De Reus. Binnen de occulte filosofie wordt het bestaan van een egregor verondersteld, autonome geestelijke entiteiten die ontstaan uit collectieve gedachtenvormen. Hoe groter de egregor, hoe krachtiger – maar mogelijk ook gevaarlijker – hij zijn kan.

Een heel andere aanvliegroute komt uit de kunstmatige intelligentie en moderne statistiek, waarbij patroonherkenning en clustering technieken zijn om (sub)groepen te onderscheiden. Het onderscheidend vermogen is van groot belang voor het identificeren van objecten en het nemen van effectieve keuzes. Ook kan voor dit thema langer stilgestaan worden bij de gevolgen van de informatierevolutie.

Imperiaal Rome

Het steeds groter willen worden doet ook denken aan de imperiale ambities van de Romeinen. Dat liep uiteindelijk niet goed af. De Leidse hoogleraar Jan de Vries schreef daarover in zijn boek De Germaansche Oudheid (1930):

Eerst in de Middeleeuwen zien wij overal in het gebied der Germanen groote, krachtige koninkrijken ontstaan, geschraagd door Romeinsche staatstheorieën en een naar universaliteit strevende kerk; dan eerst zien wij Germaansche vorsten bevangen door den rampzaligen waan, dat zij de erfgenamen van de Romeinsche caesaren waren. [p.97]

De toren van Babel

Het streven naar een groot menselijk maaksel waarmee de hemel bereikt wordt – waarbij de mensen worden als de goden of God – is al heel oud. In de Bijbel zien we de toren van Babel. Nu is het zo dat Perzische soldaten ooit Babel belegerd hebben. De Perzen zouden later een rol spelen bij de herbouw van de Tempel in Jeruzalem, en ook de wijzen uit het Oosten waren in feite magoi, priesters dus, uit Perzië. De goden van Perzië, de Ahura (Asura), zijn verwant met de Germaans-Noorse Asir of Asen. De geschiedenis heeft heel wat lijntjes onder de oppervlakte. Hoe dan ook, die toren naar de hemel, dat werd niks. Tegenwoordig lijkt het soms wel alsof we opnieuw aan zo’n toren bouwen.

Music video: On The Road To Babylon (Walk in Darkness, 2021)

Aanvullingen

(26 juli) Naar aanleiding van dit artikel kreeg ik op Twitter (dank voor de vele retweets!) enkele suggesties die bij dit thema zeker de aandacht waard zijn.

     

Wees de eerste om te reageren

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.