De Germaansche oudheid door Jan de Vries

— door Evert Mouw

In 1930 bracht de Leidse hoogleraar Jan de Vries zijn bekende boek uit over de Germaanse wortels van onze beschaving: De Germaansche oudheid. Hij is bij veel mensen vooral bekend geworden door zijn vertaling van de Edda, die goed ontvangen werd.

Nu ik de tijd heb wat meer te lezen en te schrijven zal ik de luxe nemen tamelijk veel uit zijn boek te citeren. Graag wil ik het boek uitgebreid behandelen in de hoop dat een aantal belangrijke stukjes daarmee digitaal toegankelijk gemaakt worden. Ik hoop nog wat meer boekbesprekingen te kunnen doen en anderen te kunnen motiveren zich ook te verdiepen in de wortels van ons geestelijk huis.

Het Nationaal-Socialisme en Europa

Menno ter Braak schreef over zijn vertaling van de Edda in 1938:

Het verschijnen van deze nieuwe Eddavertaling is een heuglijk feit, vooral in dezen tijd van ongekenden Germanenzwendel; want men leert de waarde of onwaarde van legenden nooit beter kennen dan door tot de oorspronkelijke bronnen terug te gaan, d.w.z. in dit geval: de burgermans wijsheid van Rosenberg en zijn ‘Mythus’ te laten liggen en de Edda ter hand te nemen.

Ja, het was de tijd van de opkomst van de nazi’s. De historische juistheid van de Germaanse geschiedschrijving en culturele vorsing werd ondergeschikt gemaakt aan politieke doeleinden. De Vries laat dat af en toe ook licht doorschemeren in zijn boek, zoals wanneer hij dit schrijft:

Wij doen voorzichtiger geen gebruik te maken van een term als het Germaansche ras. Nationale vooroordeelen vinden in zulke begrippen al te gemakkelijk aanleiding voor zelfverheffing en zij kunnen den onderzoeker verleiden tot het aannemen van samenhangen of onderscheidingen, die zich wel laten vereenigen met de schaarsche feiten der historische overlevering, maar door deze toch niet kunnen worden bewezen. En wij hebben allerminst de zekerheid, dat dergelijke rassentheorieën niet juist een ernstige belemmering zijn in het goed interpreteeren van de gegevens, die de geschiedenis tot onze beschikking stelt. [p.14]

Maar niet alleen verzet hij zich als de Germaanse geschiedenis gebruikt wordt voor rassenpolitiek; hij staat feitelijk zeer kritisch tegen grote, centralistische staten.

Eerst in de Middeleeuwen zien wij overal in het gebied der Germanen groote, krachtige koninkrijken ontstaan, geschraagd door Romeinsche staatstheorieën en een naar universaliteit strevende kerk; dan eerst zien wij Germaansche vorsten bevangen door den rampzaligen waan, dat zij de erfgenamen van de Romeinsche caesaren waren. [p.97]

Jan de Vries doelt hier op de translatio impirii, die een zekere rechtvaardiging gaf voor het streven van de nazi’s naar een Europese Statengemeenschap, welke na de wereldoorlog alsnog in een andere vorm tot stand is gekomen. Het Germania van de nazi’s, en ook de latere EU, zijn immers toch ook geïnspireerd door het oude Romeinse rijk.

De auteur zet zich voorzichtig af tegen het zuidelijke deel van Europa, dat vooral Romaans is. Hij waarschuwt tegen hun culturele en politieke invloed.

Men kan herhaaldelijk opmerken, dat de Germanen zich niet schrap genoeg weten te zetten tegen invloeden uit den vreemde. […] Rome en Parijs zijn de fakkels, waaraan de Germaansche geest zich herhaaldelijk de vleugels heeft gezengd. […] De blinde verrukking voor de Renaissance, de slaafsche navolging van de Fransche klassieken zijn hiervoor welsprekende bewijzen. […] In hoofdzaak betreft het dan uiterlijkheden en het is vooral daarom, dat zij zoo en potsierlijken indruk maken. […] Te verheugender is het, dat het innerlijk leven zoo weinig werd aangetast en dat een onbestemd gevoel van zelfbehoud de Germaansche volkeren er toe bracht behoudend te zijn in het handhaven van de innerlijke structuur van hun geestesleven en van hun samenleving. [pp.110-111]

Het innerlijke leven

We gaan terug naar de tijd dat onze voorouders nog niet gekerstend waren. Ze leefden sterk gebonden aan hun familie of dorp, maar ook de individuele held werd bezongen.

De Germaan weet, dat voor alles wat hij doet, zijn familie in volle eensgezindheid achter hem staat, voorzoover natuurlijk zijn daden vallen binnen de grenzen van zede en recht. Dit gevoelen van zekerheid verhoogt de persoonlijke kracht van den Germaan. De gansche Oudgermaansche letterkunde geeft ons het beeld van persoonlijkheden, die zich naar de volle mate van hun aanleg en karakter naar alle zijden ontwikkelen, die door tegenstand tot het uiterste worden geprikkeld en dien voor geen consequentie van hun daden terugdeinzen. Het tragische lot van den held ligt niet in zijn vermetelen overmoed, hij kent geen goden, die met jaloerschen naijver de ontplooiing van zijn krachten gadeslaan en gereed staan hem te staffen. De vloek op het goud gelegd is de oorzaak van den ondergang der Nibelungen, niet de overmoed, waarmede zij zich op hun vijanden werpen. […] De Germaan was geen burger van een staat, niet een mensch afgepast naar de eischen van een gemeenschap; hij was zichzelf, geschraagd door de kracht, die hem uit het hechte familieverband toevloeide. […] Statenvormers zijn de Germanen nooit geweest, particularisme is nog steeds de grondtrek van hun wezen. [pp.100-101]

In bovenstaande citaat komen een paar dingen naar voren. Ten eerste natuurlijk de inbedding in de familie of kleine omgeving, het stamverband. Staten worden niet echt gebouwd. De Germaanse oudheid bestond uit stammen, vaak losse verbanden, waarin het individu zich op een natuurlijke manier kon ontwikkelen. Toen later de samenleving groter, technologischer en ingewikkelder werd kon het stamverband het niet langer winnen van de moderne staat.

Ten tweede komt naar voren hoe de mens die nog niet tot het Christendom gebracht was, en nog de oude goden aanbod, niet bang was voor een straffende God, en gestimuleerd werd al zijn krachten en talenten te ontwikkelen, de strijd aan te gaan, en niet bang te zijn voor het gevaar. Zou Wodan immers niet de gevallenen opnemen in zijn dodenhal? We leren zo begrijpen waarom de Romeinen zoveel moeite hadden met deze stammen. [p.214]

Toch blijft het wonderbaarlijk, deze onbevreesde houding van onze voorouders in de tijd dat ons volk nog jong was. En toen het nog jong was, vertelde het rond het kampvuur al over de ondergang van de wereld, over de godenschemering.

Overal is gevaar, maar waakzaamheid en moed kunnen dit bezweren. […] Slechts als het vertrouwen in eigen geluk den mensch gaat begeven, dreigt het schrikbeeld, dan men eens in den strijd zal bezwijken. […] Het gedicht, dat den wereldondergang behandelt, beteekent den doodssnik van het heidendom. Maar die nederlaag is niet een besluit van onverbiddelijk fatum; zij ligt in den kosmos zelf besloten. De goden hebben met glans de daemonen weerstaan, zoolang hun geluk grooter en sterker was. De nederlaag beteekent dus, dat dit geluk is verdwenen. Zij heeft een innerlijke oorzaak en wij kunnen slechts vragen, waarom de goden oud geworden zijn. Dit geeft het tragische karakter aan den Germaanschen wereldondergang: het bederf is van binnen uit gegroeid, de gedachte aan schuld laat zich niet afwijzen.

Restanten van de Oude Religie

Ondanks de dood van de oude goden zijn er toch veel gebruiken bewaard gebleven. Maar die zijn slechts uiterlijk.

Het heidendom leeft te midden van ons. Maar het is geen heidendom meer. De plechtige wijding van een Christelijk gezin om den kerstboom, die met zijn stille kaarsjes en flonkerende versierselen het kinderhart verrukt, is vrij van heidense smetten. [p.226]

Toch hebben we nog wel de oude verhalen, die we bewaren als kunstschatten. Wat Jan de Vries zegt over de saga’s is denk ik ook kenmerkend voor de vroege Germaanse cultuur, iets wat waardevol is en wat we soms verloren zijn.

Men zegt niet teveel, als men de saga beschouwt als een der belangrijkste voortbrengselen op het gebied der kunst. De litteratuurgeschiedenis is geneigd haar te verwaarloozen; zij verdient dit niet. Zij heeft de kenmerken van ware kunst: eenvoud en eerlijkheid, liefde voor waarheid en afkeer van opsmuk. [p.256]

Romaans Zuid tegen Germaans Noord

Eerder noemden we al het verschil tussen zuidelijk (Romaans) en noordelijk (Germaans) Europa. Aan het eind van zijn boek komt Jan de Vries daarop terug. Zo schrijft hij:

De Romaan bezit de gave in ernst of uit scherts, zich anders voor te doen, dan hij is. Hij verstaat de kunst een rol te spelen en dit met toewijding te doen, ook al weet hij, dat het slechts ijdel vertoon is, het te blijven doen zelfs als het voor hem noodlottig kan worden. De gemakkelijkheid waarmede hij in een ander vel kruipt, is vaak verbluffend. Frankrijk heeft de beste toneelspelers en de slimste diplomaten gehad. De Germaan kan moeilijk zijn eigen ik verloochenen en geloofd ook niet licht, dat een ander dit doet. Hij is daarom gewoonlijk de dupe van een dergelijke comedie. Het gevolg is, dat hij dengene, die dit wel kan, vreest, omdat hij zelf zoo gauw geneigd is schijn voor wezen te nemen; dat hij hem minacht, omdat hij den mimus haat. Kenschetsend is de moeite, die de Germaan heeft om ironie te begrijpen. Dit onderscheid tussen beide volkeren laat zich herleiden tot de tegenstelling: vorm en inhoud. [pp.307-308]

Tot zover lijkt het onderscheid wat overdreven aangezet. Misschien had Jan de Vries nog wel wat meer gelijk toen hij zelf nog leefde, maar vandaag de dag leven we in een wereld waarin iedereen tijdelijke rollen (baantjes, vluchtige relaties) heeft en we dagelijks het toneelspel bewonderen via TV en moderne media. Zelfs religie wordt toneel en vermaak; rituelen voor geboorte, huwelijk en dood kun je op bestelling krijgen. Terug naar de auteur; hij weet toch een nuance aan te brengen door zowel vorm als inhoud te waarderen.

De Duitsche geleerde is mateloos in zijn toewijding, grondigheid is daarvan een lofwaardig gevolg; […] Maar de stijl der Duitsche wetenschappelijke werken heeft een treurige vermaardheid; zij ergeren meer door een teveel, dan dat zij prikkelen door een te weinig. De Franschen mogen in menig opzicht het harde handwerk onderschatten, zij munten daartegenover uit door een klaren en zwierigen stijl, door ingenieuze gedachten en overzichtelijke synthese, door het zekere vermogen in een betoog de groote lijnen vast te houden en bijzaken van hoofdzaken gescheiden te houden. Dit zijn tegenstellingen, die elkander op zeer gelukkige wijze kunnen aanvullen. De hooge vlucht van de Westeuropeesche cultuur berust in niet geringe mate op de wisselwerking van deze uiteenloopende geestelijke gesteldheden. Samenwerking kan niet anders dan vruchtbaar zijn. [p.309]

Dus ja, hier toont de auteur zich toch nog enthousiast over samenwerking op ons continent. Weliswaar niet in statelijk opzicht, maar wel in wetenschappelijk opzicht. Nogmaals, niet in staatskundige zin:

Hem [de Germaan] past het beste een staatsgezag, dat althans den schijn van vrijheid bewaart. Daartegenover is allen Romaanschen volkeren de staatsidee van Rome in het bloed gevaren. Hier vinden wij telkens weer opkomen het streven naar sterk gecentraliseerde regeeringsvormen waarin het hoogste gezag zich het recht toekent tot in de geringste zaken haar macht te doen gevoelen. Het imperialisme van Rome, het absolute koningschap van Lodewijk XIV, de straffe staatsorganisatie van Napoleon, de staatstheorie van het fascisme zijn alle uitingen van deze zelfde centripetale neiging in het staatsbestuur. […] Dergelijke tegenstellingen wijzen op een ingeboren verschil van geestelijken aanleg. […] Waar Germanen en Romanen elkander ontmoeten, liggen de slagvelden van Europa. [p.310]

Tot slot

Jan de Vries was een liefhebber en bewonderaar van de vroege Germaanse cultuur. Zijn boek, geschreven in de jaren ’30 van de vorige eeuw, is desondanks kritisch richting het opkomende nazisme en fascisme, die hij in staatsrechtelijke zin meer als Romaanse dan als Germaanse stromingen beschouwd.

Ik heb in deze blogpost een selectie gemaakt die voor dit weblog past, maar ik heb ook enorm veel weggelaten. In zijn boek schrijft Jan de Vries over zoveel meer onderwerpen! Het dagelijkse leven (kleding, huisvesting, handel, landbouw), het familieleven (huwelijk, familieverbanden, verhouding tussen kinderen, ouders en ouderen), bloedwraak, gastvrijheid, dodenverering, de voorstelling van de ziel, de goden, de mythen, de kerstening, de kunst, enzovoorts…

Zoals je hebt kunnen lezen heeft Jan de Vries een zeer prettige schrijfstijl. Persoonlijk houd ik ook wel van dat ouderwetse Nederlands; ik vind het eerlijk gezegd mooier dan het moderne taalgebruik. Hij schrijft niet met enorm veel mitsen, maren, bronvermeldingen, en lastige constructies; voor moderne maatstaven is het geen wetenschappelijk boek. Natuurlijk is een werk uit de jaren ’30 van de vorige eeuw ook in veel dingen achterhaald. Desondanks staat er nog veel in dat nog steeds van waarde is.

Als je meer wilt weten over je verre voorouders, of anderszins geïnteresseerd bent in de Germaanse oudheid, dan is dit boek zeker de moeite waard. Je kunt het vast nog wel vinden via online antiquariaten.

De Germaansche oudheid
De Germaansche oudheid
     

Facebook Comments