Moesasji, de bekendste samoerai — door Josjikawa

— door Evert Mouw

Vechten is niet het enige in de krijgskunst. De mannen die zo denken en slechts tevreden zijn met voedsel om te eten en een plaats om te slapen, zijn niet meer dan landlopers. Een serieuze student heeft als eerste zorg zijn brein te oefenen en zijn geest te disciplineren, niet om de vechtkunst te ontwikkelen. Hij moet allerlei zaken leren — aardrijkskunde, irrigatie, de gevoelens van mensen, hun manieren en gewoonten, hun relatie met de heer van hun gebied. Hij wil weten wat er zich afspeelt in het kasteel, niet alleen daarbuiten. In wezen wil hij overal naar toe waar hij naar toe kan gaan en alles leren wat hij kan.

Musashi painting
Miyamoto Musashi, zelfportret, ca. 1640.

Dit laat de schrijver Josjikawa zeggen door Moesasji, de beroemdste samoerai van het middeleeuwse Japan. Moesasji leefde van 1584 tot 1645. Hij versloeg meer dan 50 andere samoerai in persoonlijke duels, en nam deel aan meerdere veldslagen. Hij heeft tekeningen, geschriften en een zwaardvechtschool (Niten Ichi Ryu) achtergelaten. Zijn belangrijkste werk is een boekje, de Go Rin No Sho, de vijf ringen.

In dat boekje wordt duidelijk dat de enorme ambitie van Moesasji zich niet alleen richtte op krijgskundige of materiële zaken. Hoewel wereldse zaken niet onbelangrijk zijn, gaat het uiteindelijk om iets hogers, iets wat de schrijver Josjikawa prachtig weet te verwoorden in zijn geromantiseerde biografie van Moesasji. Zo laat hij de Zen-monnik Takoean aan het woord, als hij de nog wilde, jeugdige en bijna onvangbare Moesasji (Takezo) in de val weet te lokken:

Het heeft te maken met de menselijke aard, dat is alles. Mensen zijn zwak. En eenzaamheid is voor hen niet natuurlijk, vooral niet als ze door vijanden met zwaarden omringd zijn. […] Het zou mij hogelijk verbazen als het Takezo niet lukt de verleiding te weerstaan om ons een bezoek te brengen en zich bij het vuur te warmen.

De terughoudendheid van de elite van Japan voor wereldse zaken is begrijpelijk. De hoogste klassen waren de samoerai en de priesters. Daaronder kwamen de kooplui, ambachtslieden en boeren. Iedere klasse en beroep had zo zijn eigen Weg. Iori, de leerling en aangenomen zoon van Moesasji, vindt het koopmanschap maar niks:

De kosmopolitische atmosfeer waarin hij plotseling terecht gekomen was, was wel boeiend en hij keek verbaasd naar de uitheemse nieuwigheden die hij op straat en op de schepen in de haven zag. Aan alles was te zien dat de mensen hier welvarend waren. Maar het was voortdurend: Hé daar, jongen! Doe dit...! Doe dat!' Vanaf de jongste bediende tot de bedrijfsleider liet iedereen hem ronddraven als een hond en ze spraken hem daarbij heel anders toe dan wanneer ze het woord richtten tot iemand van de familie of tot een klant. Dan veranderden ze prompt in vleiende pluimstrijkers. En van de vroege ochtend tot de late avond werd er hier over geld, geld en nog eens geld gesproken. En anders wel over werk, werk. En zij noemen zich menselijke wezens! dacht Iori. Hij verlangde hevig naar de blauwe hemel en de geur van het warme gras in de zon.

De Weg van de samoerai was, volgens Moesasji, tweeledig: die van het penseel en het zwaard. Maar de essentie van de Weg is volgens hem het vastberaden accepteren van de dood, dat oefenend door mensen te overwinnen. Uiteindelijk is er leegte: "Wanneer uw geest geheel helder is en de wolken van verwarring zijn verdreven, is er ware leegte."

Ook geisha's speelden een rol in het oude Japan. Niet alleen als dames van lichamelijk plezier, maar juist ook als dames van meer verfijnde ontwikkeling. Zo laat Josjikawa deze ruwe samoerai kennismaken met meer subtiele omgangsvormen:

Voor het eerst in zijn leven bevond hij zich deze avond in het gezelschap van geverfde en opgepoetste dames, en hij reageerde erop door stijfjes en formeel te doen. Deels was dit een gevolg van het feit dat hij zich afvroeg wat mannen zo uitzonderlijk vonden aan Josjino. Ontspan je alsjeblieft,’ zei ze. Kom hier zitten.' Na de vierde of vijfde invitatie gaf hij zich over. Hij nam naast haar plaats en imiteerde de anderen door onbeholpen zijn handen boven het vuur te houden. Josjino gluurde naar zijn mouw en zag een rode vlek. Terwijl de anderen verdiept waren in hun gesprek nam ze stil een stuk papier uit haar mouw en veegde de vlek weg. Eh, dank u,’, zei Moesasji. Als hij niets gezegd had zou niemand het gemerkt hebben, maar zodra hij de woorden had gesproken, keek iedereen naar de rode vlek op het papier in Josjino’s hand. Mitsoehiro sperde zijn ogen wijd open en zei: Dat is bloed, nietwaar?' Josjino glimlachte. Nee, natuurlijk niet. Het is een bloemblaadje van een rode pioenroos.’

Moesasji zou het aanmoedigen vele Wegen, wapens, wetenschappen en kunsten te leren. Hij zou daarom onderstaande video misschien ook wel kunnen waarderen. Want ook in Europa hadden we goede zwaarden

Ik kan iedereen van harte het boek van Josjikawa aanbevelen. Ondanks het volume leest het luchtig weg, en naast een rijk geschakeerd beeld van het historische Japen krijgt de lezer ook enig gevoel voor de zenboeddhistische filosofie mee. Een filosofie die uiterlijk tot uitdrukking komt in deze tekening van Moesasji.

Boeken:deel van kobokumeigekizu

  • Moesasji, door Josjikawa, uitgeverij De Boekerij 1991. Oorspronkelijke titel: Musashi (1971). Vertaling door Bert Coltof en Pieter Verhulst. ISBN 9022512592.
  • De Strategie van de Samoerai, door Miyamoto Musashi, uitgeverij Karnak 1991. Oorspronkelijke titel: Go Rin No Sho (ca. 1645). Vertaling door Victor Harris (Engels) en Huguette de Jong-Smit (Nederlands). ISBN 9063500173.
  • Japans Zen, door Evert Mouw, 1996. Mijn VWO paper over de historie van Zen. Te downloaden op mijn site Anima Mundi.

(toevoeging Over voorzichtigheid)

Voorzichtigheid was geboden; in een dergelijk geval was de overwinning als de maan die weerspiegeld werd in een meer. Als men er te impulsief op afsprong zou men kunnen verdrinken.

     

Facebook Comments